Met wleke last loop jij al langer rond dan goed voor je is?

Ze kwam het kantoor binnenlopen. Een niet zo heel jonge vrouw in een grijze rok, een grijs vestje en een lichtroze bloesje. Ze droeg geen make-up, ze had haar haar in een pagekapsel met een lok over haar ogen. Ze had haar hoofd een beetje gebogen en haar schouders gekromd. Dankbaar accepteerde ze de koffie. Alles in haar verschijning sprak van spijt en verdriet. Haar leerdoel was ‘beter communiceren’.

Ze bleek goed te kunnen vertellen over haar werk als verkoopster in een schoenenwinkel voor speciaal schoeisel, over haar collega’s en over haar leidinggevende. Ze hield duidelijk van het werk dat ze deed. Maar ze kreeg keer op keer te horen dat ze niet voldoende klantgericht was, wat wel nodig was in haar job. Klanten wilden niet graag door haar geholpen worden, leek het. Behalve degenen die haar al kenden, die vroegen om haar.

Toen ik iets vroeg over verdriet, schrok ze. Ze had niet geweten dat ze dat zo duidelijk uitstraalde. Ze nam de tijd voor ze verder ging.
‘Ik was enig kind. Mijn vader stierf toen ik negen was. Mijn moeder was kapot van verdriet. Ze kon het leven nauwelijks aan. Ik was gelukkig oud genoeg om voor ons beiden te zorgen. Maar op een dag kreeg een juf van school het door hoe het er bij ons thuis voorstond. Ze schakelde de kinderbescherming in en mijn moeder werd opgenomen in een inrichting. Ik werd door een tante in huis genomen. Het was zo fijn daar! Mijn drie neven en nichten vonden het geweldig dat ik erbij kwam. Ik heb daar gewoond tot ik deze baan kreeg. We gingen wel regelmatig bij mijn moeder op bezoek, maar het leek wel alsof ze dat niet wilde. Op een gegeven moment zei de verpleging dat het niet goed voor haar was als we met zoveel mensen kwamen. Ik mocht alleen nog maar in mijn eentje komen, anders was het te druk. Maar als ik alleen kwam, kon mijn moeder alleen maar over mijn vader praten. Hoe erg ze hem miste, hoe goed het leven was, toen hij er nog was. En ze werd boos, omdat ik wel genoot van het leven en niet stil bleef staan. Uiteindelijk ben ik steeds minder vaak gegaan en op een gegeven moment helemaal niet meer.

Een aantal jaar geleden is ze overleden. Ik heb haar begrafenis geregeld, er was immers niemand anders. Bij het opruimen van haar spullen vond ik haar dagboeken waarin ze schrijft over haar leven, over hoe ze me miste, dat alles haar was afgenomen. Haar man door de dood, haar dochter door het leven. Ik vond het zo erg om dat te lezen. Ik had zoveel voor haar kunnen doen, maar ik heb haar in de steek gelaten. In iedere klant die ik zie, zie ik mijn moeder en denk ik, wat kan ik doen om je gelukkiger te maken? Maar niet iedereen wil dat, daarom mijden ze me. Ik voel me dan weer zo afgewezen.’

 

Dit artikel werd eerder gepubliceerd op www.sophiamagazine.nl.

Geschreven door Philine Spruijt

Philine Spruijt

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *